Hoge Raad legt disculpatiemogelijkheid van artikel 40 Invorderingswet uit

De Hoge Raad oordeelt dat X als vervreemder van de aandelen ten onrechte aansprakelijk is gesteld. Toen X de aandelen verkocht, was het vermogen van de bv nog toereikend voor de toen verschuldigde vennootschapsbelasting. Pas nadien is het vermogen buiten toedoen van X door onzakelijke handelingen verminderd. Aansprakelijkstelling van de verkopende aandeelhouder is dan alleen nog aan de orde wanneer deze ten tijde van de vervreemding wist of behoorde te weten dat de koper of een derde, door het entameren van buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger illusoir zou maken. Hiervan is geen sprake.

adobe_pdf_icon  Klik hier voor het gehele artikel